Sloopvergunning december 6, 2002
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Milieu & ruimtelijke ordening, Monumentenzorg.trackback
Het college van B & W van Breda heeft ten onrechte de in 2000 verleende sloopvergunning voor de Heilig Hartkerk ingetrokken. Dat stelt de Raad van State op 28 november 2002. Het college moet zich nu opnieuw buigen over de sloopaanvraag van de Ouwehand Bouw Groep (OBG) én de daartegen ingediende bezwaarschriften. Daarmee komt voorlopig nog geen einde aan een zich al jaren voortslepende zaak.
In 1986 onttrekt het bisdom de uit 1900 daterende Heilig Hartkerk aan de eredienst. Sindsdien wordt de kerk door krakers bewoond en is het gebouw in de loop der jaren steeds verder in verval geraakt. In maart 2000 verleent de gemeente een sloopvergunning aan OBG, die het juridisch eigendom heeft van de kerk. Deze Katwijkse aannemer wil op de betreffende plek 36 appartementen bouwen en kan daarmee naar schatting tweeënhalf miljoen euro verdienen. In de zomer van 2000 dienen honderden inwoners van Breda bezwaarschriften in tegen de sloopvergunning. De kerk is beeldbepalend voor de buurt en de sloopvergunning zelf voldoet niet aan de eisen van de wet, zo stellen de bezwaarmakers. In navolging van het advies van de commissie van bezwaarschriften trekken B & W op grond van enkele van deze bezwaarschriften de sloopvergunning weer in. Daarbij wijzen zij er onder meer op dat de aannemer geen asbestinventarisatie en sloopveiligheidsplan heeft bijgevoegd bij zijn sloopaanvraag. Het is te laat voor de aannemer om die alsnog toe te voegen, zo stelt B & W.
Tegen dit besluit gaat de aannemer in beroep bij de rechtbank in Breda. Die stelt dat de gemeente de vergunning niet had mogen intrekken. De aannemer had onder meer de kans moeten krijgen de asbestinventarisatie en een sloopveiligheidsplan toe te voegen aan de aanvraag voor sloopvergunning. Tegen deze beslissing van de rechtbank gaan B & W weer in hoger beroep bij de Raad van State. Die bevestigt echter de uitspraak van de rechtbank. Gevolg daarvan is dat B & W van Breda zich opnieuw moet buigen over de aanvraag en de bezwaarschriften. Intussen verklaarde het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (OCW) de kerk in december 2001 tot rijksmonument. Dat betekent dat een ‘gewone’ sloopvergunning niet volstaat, ondanks de uitspraak van de Raad van State. Daarom diende de aannemer begin 2002 een bezwaar in tegen de monumentverklaring bij OCW. De aannemer stapte vervolgens naar de rechtbank in Den Haag, omdat het ministerie volgens hem te laat was met het doen van een uitspraak over zijn bezwaarschrift en zo een termijn overschreed. Duidelijk is echter dat ook bij een voor de aannemer gunstige uitspraak over de monumentenstatus de kerk voorlopig niet tegen de vlakte mag. De advocaat van de aannemer zegt hierover in BN/De Stem: ‘Het wordt tijd om met de gemeente een hartig woordje te wisselen over een schadevergoeding. Met de vergunning die ons ten onrechte is onthouden, hadden we de kerk kunnen slopen.’
Verantwoordelijk wethouder André Adank (CDA) verklaart tegenover Binnenlands Bestuur: ‘Dreigen met schadeclaims, daar schieten we niets me op. Er is jaren niets gebeurd aan het onderhoud van de kerk. De staat van de kerk loopt zienderogen achteruit. Er moet nu echt iets gebeuren. Het doel van de gemeente is om de kerk te behouden’, zegt Adank. Voorlopig lijkt het bepaald niet uitgesloten dat de betrokken partijen elkaar opnieuw zullen tegenkomen bij de Raad van State. Adank: ‘Het zou echt een brevet van onvermogen zijn als dit nog vele jaren zou voortduren. We moeten er toch op basis van argumenten uit kunnen komen? Wij zijn daartoe in ieder geval bereid. Ouwehand Bouw Groep echter legt nu met zijn dreigement het mes op tafel. Dat is niet verstandig.’
Verschenen in Binnenlands Bestuur op 6 december 2002.
Reacties»
No comments yet — be the first.