Gedoogbeschikking november 7, 2003
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Overig.trackback
De weigering om een gedoogbeschikking af te geven is geen besluit. Hierdoor kan bijvoorbeeld een coffeeshophouder zich nauwelijks verzetten tegen het intrekken of weigeren van een gedoogbeschikking door een gemeente.
Dat uitgangspunt in haar jurisprudentie bevestigt de Raad van State op 29 oktober met een uitspraak over een Amsterdamse hasjshop.
Burgemeester Job Cohen weigert in 2002 aan hasjshop Stones – waar zowel alcohol als drugs worden verkocht – een gedoogbeschikking te geven. Onder meer door het verspreiden van reclamemateriaal en het in bezit hebben van meer dan de vijfhonderd gram toegestane handelsvoorraad wiet, handelt Stones in strijd met de gemeentelijke richtlijnen. De eigenaar van de hasjshop vindt dat de gemeente te gemakkelijk voorbijgaat aan het feit dat door deze beslissing een deel van zijn tien werknemers hun baan zullen verliezen. Mede daarom vindt hij de ’sanctie’ voor de overtredingen die hij overigens betwist veel te zwaar.
De Raad van State concludeert dat de weigering van de gedoogbeschikking geen besluit is, waardoor het maken van bezwaar door de hasjeigenaar überhaupt niet mogelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren komt de Raad van State daardoor niet toe.
Wanneer een gemeente besluit een illegale situatie te gedogen dus om (vooralsnog) niet op te treden , wordt dit neergelegd in een gedoogbeschikking. Hieraan zijn vaak ontbindende voorwaarden verbonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State is de weigering om een dergelijke beschikking te geven behoudens bijzondere omstandigheden – geen besluit. Daardoor is de weg van de bezwaarschriftprocedure afgesloten.
Diverse rechtsgeleerden zijn kritisch over deze benadering van de Raad van State. ‘Het is inconsequent om het geven van een gedoogbeschikking als besluit te erkennen en de weigering daarvan niet. Ook andere weigeringen van een beschikking zijn volgens de Algemene Wet Bestuursrecht een besluit’, zegt Aletta Blomberg, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht in Utrecht. Maar Lex Esveld van de VNG vindt dat Blomberg spreekt over ‘een nogal theoretisch probleem’. ‘De weigering van een gedoogbeschikking heeft geen praktische gevolgen. Pas wanneer de gemeente besluit om na de weigering van de gedoogbeschikking te gaan handhaven, heeft dat werkelijke gevolgen voor de coffeeshophouder. Tegen dat handhavingsbesluit staat voor de coffeeshophouder wel gewoon een rechtsgang open.’
Blomberg is het oneens met Esveld. ‘Door een gedoogbeschikking weet je als ondernemer dat de gemeente niet zal handhaven. Wanneer een gemeente die gedoogbeschikking weigert, kom je in een onzekere situatie. Dat is niet niks.’ Ondanks deze inconsequentie ziet Blomberg voordelen van het Nederlandse gedoogsysteem ten opzichte van het beleid in andere Europese landen. Blomberg verwijst in dit kader naar een nog te verschijnen artikel dat zij samen met hoogleraar staats- en bestuursrecht Lex Michiels schreef over gedogen, onder meer over de wijze van gedogen op het gebied van milieuregels in Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. ‘In Frankrijk bijvoorbeeld wordt ook wel degelijk gedoogd. Het wordt alleen niet zo genoemd. Daar houdt de overheid gewoon een hand voor de ogen.’
Misschien is de vaak felle kritiek van de afgelopen jaren op het Nederlandse gedoogbeleid niet altijd even terecht. Zonder de aanwezige problemen door illegale situaties op milieugebied te hoeven bagatelliseren, kan je concluderen dat het Nederlandse gedoogsysteem in vergelijking met andere Europese landen helemaal niet zo slecht wegkomt.
Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 7 november 2003.
Reacties»
No comments yet — be the first.