Vrijplaats voor ex-wethouder april 1, 2005
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Integriteit, Milieu & ruimtelijke ordening.trackback
Ex-wethouder en agrariër Van Benthum sluit in 1997 een lucratieve deal met de gemeente Oeffelt. De afspraak is dat hij zijn veebedrijf voor 455.000 euro verkoopt aan de Brabantse gemeente waar hij tot begin jaren negentig wethouder was, dit ten gunste van woningbouw.
Verder is de afspraak dat hij in het gemeentelijk buitengebied op een toplocatie voor zichzelf een villa mag neerzetten. Maar de Raad van State bestempelt in 2002 de inmiddels gebouwde villa als illegaal. In januari 2005 bepaalt de hoogste bestuursrechter dat handhavend optreden door de Brabantse gemeente op zijn plaats is. Gedwongen sloop lijkt de enige optie. Het gemeentebestuur peinst er echter niet over om op te treden tegen de lokale prominent.
Oorspronkelijk spreekt Van Benthum in 1991 - als hij nog wethouder is - af met zijn eigen gemeente dat hij in ruil voor opheffing van zijn veehouderij een vertrekpremie krijgt van een half miljoen gulden. Verder luidt de afspraak dat zijn zoon elders in het dorp een varkensbedrijf mag opzetten. De Raad van State gooit echter roet in het eten door de milieuvergunning voor het varkensbedrijf af te keuren en een streep te zetten door beoogde woningbouw op de plek van Van Benthums veebedrijf.
Het gemeentebestuur bedenkt vervolgens een alternatieve deal: de ex-wethouder krijgt het recht van de gemeente om een villa te bouwen in het buitengebied met uitzicht op een rivierdal en het fraaie coulissenlandschap. De villa wordt gebouwd, maar blijkt ruim twee meter breder dan de bouwvergunning toestaat. Daardoor staat het landhuis niet alleen in natuurgebied maar ook te dicht op de woning van de overbuurman. Milieuclubs en de buurman maken bezwaar tegen de villa, maar krijgen bij de gemeente nul op rekest.
De Raad van State zet echter in twee achtereenvolgende uitspraken een streep door het bouwwerk, onder meer wegens ‘ernstige inbreuk’ op het buitengebied. De gemeente is daardoor gedwongen de bouwvergunning te vernietigen, maar treedt verder niet op tegen de ex-wethouder. In januari 2005 bepaalt de Raad van State dat de gemeente Boxmeer - waarin Oeffelt intussen is opgegaan - handhavend moet optreden tegen de oud-politicus. Legalisatie is volgens de staatsraden uitgesloten. Gedwongen sloop lijkt daardoor de enige optie.
Toch beslist het gemeentebestuur begin maart om ook deze uitspraak naast zich neer te leggen. De gemeente wil het landhuis legaliseren. Daarvoor is wel de medewerking van de provincie nodig. Het gemeentebestuur verklaart begin maart in de schriftelijke beslissing om niet handhavend op te treden dat de provincie zich tijdens ambtelijk overleg al ‘positief heeft uitgesproken’ over deze legalisatie. Verantwoordelijk gedeputeerde Rüpp weerspreekt dat echter in het Brabants Dagblad.
‘Dat heeft mij verbaasd’, zegt de Boxmeerse wethouder Hermien van den Brand. ‘Ik heb een gesprek op zeer korte termijn met Rüpp aangevraagd. Wij hadden over deze zaak namelijk eerder al contact met zijn voorganger. Het is denk ik een goed idee als ik de heer Rüpp daarover bijpraat.’
‘Het probleem in deze kwestie schuilt hem in het systeem van de Algemene wet bestuursrecht’, zegt Mieke Geeraedts, advocaat van de klagende partijen. ‘Als gemeente kan je in een situatie als deze gewoon de uitspraak van de Raad van State naast je neerleggen. Het verplicht de gemeente namelijk tot niets concreets. Na iedere uitspraak begint de zaak steeds weer van voren af aan. Dat betekent dat de gemeente Boxmeer deze zaak eindeloos kan rekken totdat de provincie een keer van standpunt verandert. Dat systeem deugt niet.’
Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 1 april 2005.
Reacties»
No comments yet — be the first.