Strijd tegen jihad-imago mei 27, 2005
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Grondrechten.trackback
De ouders van de twee Eindhovense jongens die in januari 2002 werden doodgeschoten in het Indiase deel van Kasjmir voelen zich in hun eer en goede naam aangetast. Oorzaak: de bewering van de BVD (inmiddels Aivd) in het jaarverslag over 2001 en in volgende rapporten dat hun zoons waren gerekruteerd voor de jihad.
Zij eisen inzage in de stukken op basis waarvan de Aivd tot deze conclusie komt. De minister van Binnenlandse Zaken weigert dat met een beroep op de nationale veiligheid. De Raad van State geeft de veiligheidsdienst bijna blindelings gelijk.
De twee Marokkaanse jongens van respectievelijk een- en tweeëntwintig jaar oud vertrekken op tweede kerstdag 2001 met een vliegticket enkele reis zonder medeweten van hun ouders naar New Delhi. In de vroege ochtend van 13 januari 2003 worden zij doodgeschoten door Indiase grenstroepen in de deelstaat Kasjmir, waar moslims een onafhankelijkheidsstrijd voeren. De BVD meldt in het jaarverslag 2001 dat ‘het tweetal in Nederland werd gerekruteerd en geestelijk voorbereid op deelname aan de jihad, de heilige oorlog tegen alle vijanden van de islam.’ Een nadere onderbouwing van deze conclusie door de Aivd ontbreekt. De nabestaanden van de jongens eisen inzage in de documenten waarop de Aivd deze stellingen baseert. De minister van Binnenlandse Zaken weigert dat twee maal door te stellen dat er sprake is van een ‘actuele dreiging’ en met een beroep op de bescherming van de nationale veiligheid. Gegevens over de zaak van de twee jongens zijn in nog lopende onderzoeken van belang en worden daarom niet vrijgegeven, beslist de minister.
De raadslieden van de familie argumenteren dat de jongens door hun overlijden niet langer een actuele bedreiging voor nationale veiligheid betekenen. Bovendien volgt uit het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) dat een concrete afweging van de betrokken belangen moet plaatsvinden. De Nederlandse wet bepaalt dat in een zaak als deze zonder toelichting inzage mag worden geweigerd. Dat neemt echter niet weg dat sprake is van een inbreuk op het recht op privacy uit het EVRM, aldus de raadslieden. Doordat op geen enkele wijze inzicht wordt verschaft in de wijze waarop de beschuldigingen tot stand zijn gekomen, wordt de ouders de mogelijkheid ontnomen om zich te verweren.
De Raad van State verwerpt de argumentatie van de ouders. De minister mocht bij de weigering wel degelijk volstaan met verwijzing naar de absolute weigeringsgrond in de Nederlandse wet. Europese jurisprudentie biedt lidstaten daartoe de ruimte. Van een inbreuk op het EVRM is derhalve geen sprake, oordelen de staatsraden op 18 mei.
Volgens Roger Vleugels – inlichtingen- en veiligheidsdienstdeskundige – handelt de minister wel degelijk in strijd met het EVRM. ‘De Aivd moet zichtbaar maken hoe het informatie heeft vergaard, maar dat is natuurlijk vaak lastig. Staatsraden zouden daarom meer gebruik moeten maken van de mogelijkheid in de wet om vertrouwelijk van stukken kennis te nemen. Dat doen ze echter niet.’ Het standpunt van de minister wordt in zaken als deze bijna blindelings overgenomen, stelt Vleugels vast. Het argument van de raadslieden van de familie dat door het overlijden van de jongens geen ‘actuele dreiging’ meer bestaat, vindt Vleugels echter ‘bepaald niet overtuigend’. Advocaat Niels van Wersch meldt dat de familie van het vermoorde tweetal overweegt de zaak voor te leggen aan van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 27 mei 2005.
Reacties»
No comments yet — be the first.