Zachte informatie september 2, 2005
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Integriteit.trackback
Met een beroep op de wet Bibob kunnen overheden sinds 2003 via het bureau Bibob informatie krijgen van justitie en politie over de criminele antecedenten van aanvragers van een vergunning of subsidie.
Doel is het voorkomen van infiltratie van de onderwereld in de reguliere economie. De Nationale Ombudsman deed recentelijk uitspraak over de grenzen van deze bevoegdheid. Het draait daarbij om een casus die speelt in het pre-Bibob-tijdperk, maar de uitspraak is volgens de ombudsman ook voor de huidige rechtspraktijk direct relevant. Marco P. vraagt in 2000 een ligplaatsvergunning bij stadsdeel Amsterdam-Noord voor een boot die opvang moet bieden aan honderdtwintig asielzoekers. Tijdens een bewonersavond waarop P. zijn plan toelicht, herkennen aanwezige agenten hem als ‘een bekende van de politie’. De korpsleiding waarschuwt de officier van justitie, die een brief schrijft aan burgemeester Patijn over P. De burgemeester stuurt de brief door aan het stadsdeelbestuur, die P. de ligvergunning weigert. Het bestuur verwijst daarbij naar de mededeling van de officier van justitie dat P. ‘zich ophoudt in en bemoeienis heeft met diverse criminele netwerken, welke zich onder meer bezighouden met handel in verdovende middelen’. P. weerspreekt de beschuldiging en acht zich in zijn eer en goede naam aangetast. Hij eist nadere toelichting van het OM en inzage in relevante stukken, maar krijgt nul op rekest.
Daarop stapt P. naar de Nationale Ombudsman. De eindverantwoordelijke minister van Justitie verweert zich onder meer door te wijzen op de 33 keer dat P. voorkomt in het politieregister. Het betreft hier echter geen strafvervolgingen of veroordelingen, stelt de ombudsman vast. Derhalve is het ‘zachte’ informatie. Vanwege die aard van de informatie wordt P. door de verstrekking ervan aan de burgemeester onevenredig geschaad in zijn reputatie en daarmee in zijn persoonlijke levenssfeer. Relevant is verder dat de informatie niet werd gebruikt voor de uitvoering van een politiektaak – wat vereist is – maar in verband met de aanvraag van een ligplaatsvergunning. De officier van justitie maakte misbruik van zijn bevoegdheden door het schenden van zijn geheimhoudingsplicht. Volgens de ombudsman was deze conclusie niet anders geweest onder het regime van de Bibob. Immers, het opzetten van een asielboot valt niet onder het soort activiteiten waarvoor de Bibop-procedure mag worden gebruikt.
‘Het gaat hier zonder twijfel om boterzachte informatie. Op dat feit legt de ombudsman geheel terecht sterk de nadruk’, zegt Imelda Tappeiner, privacyrecht-specialist aan de Universiteit van Utrecht. ‘Ook onder de Bibob mag informatie alleen worden doorgespeeld wanneer de persoon in kwestie op enig moment verdachte was. Daar is bij deze meneer nooit sprake van geweest.’
De Amsterdamse officier van justitie bekijkt nog welke conclusies hij moet verbinden aan de uitspraak van de ombudsman, zo meldt een woordvoerder in april 2005 in Het Parool. Enkele maanden later is die situatie onveranderd. Ook de woordvoering van het ministerie van Justitie meldt niets over conclusies naar aanleiding van het rapport. De boot is inmiddels in vlammen opgegaan. ‘Over de omstandigheden van de brand ben ik niet op de hoogte’, zegt Rutger Lonterman, advocaat van P. ‘In ieder geval klopt er geen barst van de beschuldigingen van de politie. Mijn cliënt houdt zich onder meer bezig met de verhuur van onroerend goed. Dit rapport voelt hij als een zeker eerherstel.’
Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 2 september 2005.
Reacties»
No comments yet — be the first.