jump to navigation

Schip in zicht september 16, 2005

Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Milieu & ruimtelijke ordening.
trackback

Je krijgt als burger gelijk van de bestuursrechter en staat toch met lege handen. Het is een gevoel dat burgers regelmatig hebben wanneer ze een bestuursrechtelijke procedure winnen. 

Burgers hebben statistisch gezien weinig kans om een rechtszaak bij de bestuursrechter te winnen en als dat al lukt, verliezen ze in de praktijk vaak alsnog doordat bestuurders gerechtelijke uitspraken simpelweg naast zich neerleggen of omzeilen. In Enkhuizen klagen huiseigenaren aan de kade van de Oosterhaven over een afgemeerde kotter die hun uitzicht op de haven blokkeert. Dat het schip er ligt, is volgens hen in strijd met het bestemmingsplan. De gemeente weigert op te treden. Tegelijkertijd noemen andere buurtbewoners de klachten een ‘zeurverhaal’. Je moet niet klagen over afgemeerde schepen als je bij een haven woont, zeggen zij in het Noordhollands Dagblad. Hoe dan ook, volgens de Raad van State ligt de kotter er illegaal, maar van dat oordeel lijkt het gemeentebestuur niet onder de indruk. 

Floor Kersten huurt van de gemeente Enkhuizen sinds begin jaren negentig tweehonderd vierkante meter bedrijfswater in de Oosterhaven. Hij handelt in schepen, die hij opknapt en weer verkoopt. Nu ligt er de 23 meter lange kotter Varnebank. In het bestemmingsplan heeft het betreffende waterperceel de bestemming ‘woonschepen’. Bedrijfsactiviteiten op deze plek zijn dus verboden. Volgens de gemeente kan Kersten een beroep doen op overgangsrecht. Het huidige bestemmingsplan dateert van 1991, maar al voor die tijd gebruikte Kersten het perceel. Daarom mag de gemeente hem de veranderde bestemming niet tegenwerpen. De drie klagende kadebewoners vinden dat die beschermende werking niet geldt omdat Kersten het perceel 21 maanden lang niet gebruikte. Zij geven aan dat hun huizen extra duur waren vanwege het uitzicht. 

De Raad van State wijst er op dat voor een beroep op overgangsrecht sprake moet zijn van ‘voortgezet gebruik’. Doorslaggevend daarbij is de duur en oorzaak van de onderbreking en de door Kersten getoonde intentie om het gebruik voort te zetten. De onderbreking van 21 maanden is zo lang, dat beroep op overgangsrecht onmogelijk is. Alleen bij bijzondere omstandigheden is een uitzondering op dat uitgangspunt mogelijk. Kersten voert aan dat bepaalde werkzaamheden aan de boot die hij elders liet verrichten, nogal uitliepen. Dat is volgens de Raad van State geen geldige uitzonderingsgrond. Ook had de gemeente de ligplaats nooit mondeling mogen toewijzen. Dat moet altijd schriftelijk. 

Kort na de uitspraak verlaat de kotter de haven voor deelname aan Sail in Amsterdam. W. van Benthem, de rechtskundig adviseur van de klagende kadebewoners, vraagt direct aan het gemeentebestuur om de kotter niet meer tot de haven toe te laten haven, totdat alle lopende juridische procedures zijn afgehandeld. Dat weigert de verantwoordelijk wethouder. Van Benthem stapt vervolgens naar de rechter voor een voorlopige voorziening, maar voordat de zitting daarover plaatsvindt, heeft de gemeente het schip alweer met mondelinge toestemming toegelaten.

Van Benthem: ‘Nu het schip er weer ligt, lopen we achter de feiten aan. Het is ongelofelijk dat de gemeente het schip wéér mondeling heeft toegelaten terwijl de Raad van State zo duidelijk aangaf dat dit alleen schriftelijk mag.’ Verantwoordelijk wethouder Bode: ‘Het is nooit onze bedoeling geweest om met de wijziging van het bestemmingsplan de aanwezige bedrijvigheid te verjagen. In ieder geval moeten we Kersten een overgangstermijn geven. We kunnen hem niet zomaar de toegang tot de haven ontzeggen.’

Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 16 september 2005.

Reacties»

No comments yet — be the first.