jump to navigation

Grondrecht op house december 9, 2005

Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Grondrechten.
trackback

De burgemeester van Heerlen verbiedt discotheek de Peppermill hardcore- en rave-feesten te organiseren vanwege het drugsgebruik op de feesten.


De disco-eigenaar wijst bij de rechter op de maatregelen die hij treft om het drugsgebruik terug te dringen. Verder komt de discotheekeigenaar met het opmerkelijke argument dat het verbod strijdig is met de vrijheid van meningsuiting. Volgens hem worden burgers door het verbod belemmerd om in vrijheid een bepaalde muzieksoort te beluisteren. Dit argument is bij nadere beschouwing minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt.

In 2003 overlijdt een vijftienjarige bezoekster van een rave-party in de Peppermill aan een overdosis XTC. De burgemeester legt het bedrijf een verbod op voor het houden van dergelijke feesten en weigert in 2004 de disco een vergunning voor dergelijke feesten, onder meer met verwijzing naar het incident. Er is sprake van een concrete bedreiging voor openbare orde en gezondheid, luidt de motivatie. Het gebruik en de handel in harddrugs is namelijk onlosmakelijk verbonden met hardcore houseparty’s.

De burgemeester verwijst naar een rapport van onderzoeksbureau Intraval over het verband tussen housemuziek en drugs. De Peppermill stapt naar de bestuursrechter en stelt dat de weigering van de vergunning onvoldoende is onderbouwd. Daarbij wordt verwezen naar het Trimbos-instituut dat in onderzoek concludeert dat tijdens álle horeca-evenementen drugsgebruik aan de orde kan zijn. Verder stelt de disco-directie dat door het verbieden van een bepaalde muziekstroming sprake is van een ongeoorloofde inperking van de vrijheid van meningsuiting.

De rechtbank in Maastricht merkt op dat door de politie in burger op de rave-party in 2003 geen deal-activiteiten zijn geconstateerd. Slechts bij drie van de vijfduizend bezoekers werden drugs aangetroffen. Volgens de politie had de Peppermill tijdens dit feest alle vereiste maatregelen getroffen. Daarom oordeelt de rechter dat de burgemeester de vergunning niet mocht weigeren, maar had moeten bekijken of kon worden volstaan met het verbinden van voorschriften aan de vergunning. De rechter vernietigt hierom het weigeringsbesluit. Aan het argument over de vrijheid van meningsuiting komt de rechter daardoor niet toe.

Aernout Nieuwenhuis – hoofddocent staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam – is het eens met de uitspraak van de bestuursrechter. Het argument over de uitingsvrijheid vindt hij bovendien ‘niet bij voorbaat onzinnig’. Muziek valt onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, benadrukt Nieuwenhuis. Je kan feesten waar een bepaalde muzieksoort wordt gedraaid daarom niet zomaar verbieden met verwijzing naar de bescherming van de openbare orde. De overheid moet zich extra inspannen om het feest te laten plaatsvinden aangezien er een grondrecht in het geding is. In een aantal opzichten is dat te vergelijken met de plicht van de overheid bij demonstraties, aldus Nieuwenhuis.

In de Grondwet staat dat de vrijheid van meningsuiting naast opinies gedachten en gevoelens beschermt. Daaronder valt ook muziek, stelde de regering expliciet ten tijde van de grondwetsherziening. Slechts bij reëel gevaar voor ernstige verstoring van de openbare orde kan de overheid de uitoefening van de uitingsvrijheid beperken. Dat blijkt als de Raad van State begin jaren tachtig oordeelt dat zelfs een voorstelling van modderbadworstelen door dames in badpak – waarbij een beroep werd gedaan op uitingsvrijheid – niet zomaar verboden mag worden wegens de vrees voor wanordelijkheden. Dat geeft aan hoeveel rechten en vrijheden de vrijheid van meningsuiting omvat.

De burgemeester van Heerlen legt zich niet neer bij de uitspraak en gaat in hoger beroep. Intussen kon de gemeente niets ondernemen tegen de hardcore-party die de Peppermill eind november organiseerde.

Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 9 december 2005.

Reacties»

No comments yet — be the first.