Luchthaven Lelystad januari 6, 2006
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Milieu & ruimtelijke ordening.trackback
De provincie Flevoland gedoogt het illegaal proefdraaien van vliegtuigmotoren op vliegveld Lelystad. Omwonenden protesteren daar al jaren tegen. De Raad van State oordeelt dat het provinciaal bestuur terecht weigert een einde te maken aan de illegale situatie. Zoals vaker verzuimt de hoogste bestuursrechter de gerechtelijke uitspraak te voorzien van een volwaardige motivering.
Na iedere onderhoudsbeurt of reparatie is het uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk dat de vliegtuigmotoren op de grond proefdraaien. De belangen van het vliegveld, de omwonenden en het milieu zijn zorgvuldig tegen elkaar afgewogen, benadrukt het provinciaal bestuur. Zeker niet alleen economische belangen hebben een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Al in 1998 vroeg het vliegveld een vergunning aan voor het proefdraaien, maar door problemen met het bestemmingsplan en de nieuwe geluidszone rond het vliegveld, verleende de provincie geen medewerking aan legalisatie. Wel werd het illegale proefdraaien sinds 2002 gedoogd.
Omwonenden vragen de provincie om handhavend op te treden tegen de luchthaven. De provincie weigert dat en verleent de luchthaven in september 2004 een gedoogvergunning. Omwonenden wijzen er bij de Raad van State op dat zij last hebben van flinke geluidsoverlast door het proefdraaien. Volgens hen is gedogen krachtens overheidsbeleid alleen toegestaan voor een kortere periode en niet – zoals hier – drie jaar achtereen. De staatsraden geven aan dat een bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden mag weigeren handhavend op te treden. Dat kan bijvoorbeeld wanneer sprake is van concreet uitzicht op legalisatie of wanneer optreden niet in verhouding staat tot daarmee te dienen belangen. De staatsraden concluderen dat handhavend optreden ten opzichte van de luchthaven Lelystad onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De provincie zag terecht af van handhaving, oordelen de staatsraden.
Karianne Albers, docent staats- en bestuursrecht in Maastricht merkt in het blad Jurisprudentie Bestuursrecht op dat de staatsraden maar vijf zinnen nodig hebben om te concluderen dat de provincie van handhaving mocht afzien. De belangrijkste overweging is dat de omwonenden de stellingen van de provincie niet gemotiveerd hebben bestreden. ‘Is dit niet wat kort door de bocht?’ aldus Albers. De stelling van de provincie dat de geluidsoverlast door het proefdraaien gering is, wordt door de staatsraden ‘voor zoete koek geslikt’, terwijl de omwonenden aangeven dat de geluidsoverlast aanmerkelijk is. Verder wordt volgens bestaande rechtspraak handhaving alleen als onevenredig beschouwd, wanneer sprake is van een geringe of incidentele overtreding. Misschien is daar in dit geval ook sprake van, stelt Albers vast, maar daarover staat niets in de uitspraak. De Staatsraden maken zo niet inzichtelijk waarom zij tot deze uitspraak komen.
Kritiek op de slechte of vaak afwezige motivering van uitspraken door de Raad van State klinkt al jaren vanuit de wetenschap, de advocatuur, de rechterlijke macht en belangenorganisaties In de praktijk is het meestal de burger die zonder volwaardige toelichting in het ongelijk wordt gesteld. Dat tast het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat aan en overheden weten vaak niet hoe ze uitspraken van de Raad van State moeten plaatsen. Dat zorgt voor veel rechtsonzekerheid. De Raad van State wuift de kritiek al jaren gemakkelijk weg. Dat kan door de bijna onaantastbare positie van dit hoog College van Staat onder de Haagse kaasstolp.
Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 6 januari 2006.
Reacties»
No comments yet — be the first.