Opgedrongen pijpleiding januari 13, 2006
Posted by Maurice Swirc in Column Binnenlands Bestuur, Milieu & ruimtelijke ordening.trackback
Friese boeren moeten verdragen dat zoutfabrikant Frisia leidingen onder hun land aanlegt. Dat stelt de minister van Economische Zaken. De leiding moeten zout van putten naar de fabriek in Harlingen vervoeren. De zoutleidingen zorgen voor waardedaling van de gronden. De rechtbank in Leeuwarden oordeelt dat het ministerie de boerenbelangen onvoldoende heeft meewogen en legt de aanleg van zoutleidingen stil.
Frisia krijgt in 2002 een vergunning om tot 2013 twaalf miljoen ton zout te winnen in Noordwest-Friesland. Daarvoor moeten twee nieuwe boorputten komen onder de Friese dorpjes Oosterbierum en Tzummarum. De minister legt de boeren de gedoogplicht op om de aanleg van de leidingen onder hun land toe te laten. Boeren en andere inwoners verenigen zich in actiegroep ‘Laat het Zout maar zitten’. De economische belangen van Frisia wegen niet op tegen de nadelen voor de omwonenden, stelt de actiegroep. De zoutwinning zorgt voor bodemdaling, waardoor zeewater onder de dijk doorkomt. De grond wordt vervolgens minder geschikt voor landbouw en veeteelt met schade voor de boeren tot gevolg. Ook door de aanleg van de leidingen daalt de grond in waarde. Volgens de actiegroep dienen de transportleidingen geen enkel openbaar belang in tegenstelling tot bijvoorbeeld water- of electriciteitsleidingen.
De boeren stappen in november 2005 naar de rechter om de gedoogplicht bij de rechter aan te vechten. Twee maal eerder wist de actiegroep schorsing van de gedoogplicht af te dwingen. Advocaat Kick Jurriëns benadrukt tijdens de zitting dat de winning van zout weliswaar een zaak van algemeen belang is, maar niet het transport en de verwerking ervan. De gedoogplicht is daarom onterecht. Het belang van de ene ondernemer hoeft niet te wijken voor dat van de ander, luidt zijn stelling. Verder wijst hij erop dat het plan voor de pijpleiding nooit in een ruimtelijke ordeningsprocedure is behandeld in het kader waarvan de boeren bezwaar konden maken.
De voorzieningenrechter in Leeuwarden oordeelt op 23 november dat Frisia de aanleg van de zoutleiding binnen een week moet stilleggen. Volgens de rechter heeft het ministerie van Economische Zaken bij verlening van de vergunning te weinig rekening gehouden met de belangen van de boeren en onvoldoende uitgezocht wat hier het ‘openbaar belang’ is. De minister mag een gedoogplicht alleen opleggen als de betrokken partijen er niet samen uitkomen. Volgens de rechter weigert Frisia ten onrechte de waardedaling van de gronden te betrekken in de onderhandelingen met de boeren. Van serieuze onderhandelingen was derhalve geen sprake. Voor dat feit had de minister ten onrechte geen oog.
Financieel directeur Van Tuinen van Frisia benadrukt een dag na de uitspraak in het Fries Dagblad dat de rechter geen principiële bezwaren uit tegen de vergunning voor de zoutleidingen. De schorsing wordt daarom ongetwijfeld binnen een paar maanden opgeheven, voorspelt de directeur. Intussen blijkt de aanleg van de zoutleidingen gewoon door te gaan. Een woordvoerder van het actiegroep vertelt in de lokale pers dat na een dreigend telefoontje namens de boeren naar Frisia de werkzaamheden alsnog zijn stopgezet.
De directeur van Frisia ontkent vervolgens in het Fries Dagblad dat zijn bedrijf iets te maken heeft met de voortgezette werkzaamheden. De werklieden gingen ‘op eigen initiatief’ door met de aanleg, stelt Van Tuinen. Inmiddels zijn de werkzaamheden daadwerkelijk stil gelegd, bevestigt ook de actiegroep.
Verschenen als juridische column in Binnenlands Bestuur op 13 januari 2006.
Reacties»
No comments yet — be the first.