jump to navigation

De pijn van een koloniaal monument april 26, 2007

Posted by Maurice Swirc in Nederlandse politiek.
trackback

Dit najaar is de officiële onthulling van het gerestaureerde Van Heutsz monument dat is omgedoopd tot het Monument Indië Nederland. Indonesiërs missen een expliciete verwijzing naar Indonesische slachtoffers van het Nederlands koloniaal bewind. 

Een wandeling over de statige Apollolaan in het Amsterdamse Oud-Zuid is een rustgevende ervaring. Villa’s staan er aan een brede dubbele weg, in het midden een groene parkachtige strook met bankjes en hoge populieren. Ondanks het verkeer, heerst er – afgezien van een incidentele liquidatie van een vastgoedhandelaar – vrijwel altijd een serene rust. De juiste ambiance voor een kolosaal koloniaal monument, besloot de Amsterdamse gemeenteraad in 1930. Koningin Willhemina onthulde hier in 1935 een monument als eerbetoon aan generaal Johannes Benedictus van Heutsz (1851–1924). Als commandant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (Knil) en later als gouverneur generaal voerde hij een gewelddadige veroveringsoorlog in het toenmalig Nederlands-Indië waarbij tienduizenden Atjehers de dood vonden. Bij zijn overlijden in 1924 werd hij nog door velen gezien als een militaire held. Anderen, vooral socialisten en communisten, zagen hem toen al als brute massamoordenaar.
Het monument staat er anno 2007 nog steeds: een 93 meter lange muur van bruinrood baksteen, met twaalf bogen. Op de muur zijn reliëfs te zien die de Indische archipel symboliseren. Op een sokkel staat een groot beeld van een vrouw met een wetsrol in haar hand, die het Nederlandse gezag verbeeldt. Naast haar staan twee leeuwen met wapenschilden van Amsterdam. Hoog daarboven torent een goudkleurige stralenboog met ervoor een vijverbassin. Aanhangers van Van Heutsz hadden liever een meer militaristisch beeld gezien, bijvoorbeeld een ruiter te paard. Daar hebben critici echter een stokje voor gestoken. Later werd het Van Heutsz monument een symbool voor een onverwerkt koloniaal verleden. Daarbij ging het vooral om de omstreden naoorlogse overzeese militaire acties van Nederland nadat Indonesië zich op 17 augustus 1945 onafhankelijk had verklaard. Tijdens de zogenoemde ‘politionele acties’ vonden tussen 1947 en 1949 naar schatting in totaal tussen de 100.000 en 150.000 Indonesiërs de dood tegenover ruim 5.000 Nederlanders.
In 1967 sloeg een kneedbom van een linksactivistische groepering een van de stenen leeuwen van het monument gedeeltelijk aan flarden. Het was bepaald niet de eerste en ook niet de laatste aanval op het monument. Al in 1965 hadden leden van Provo (de anarchistische beweging die op ludieke wijze actie voerde) het monument met witte verf beklad. In 1984 werd de bronzen plaquette met de afbeelding van Van Heutsz gestolen en was er opnieuw een bomaanslag, die echter mislukte. Later verwijderden onbekenden de letters die de naam Van Heutsz vormden. Het monument was een symbool geworden van het Nederlandse koloniale verleden als geheel, zowel voor degenen met nostalgische gevoelens als degenen met emoties van afschuw.

Advies
Wat moet er gebeuren met een monument dat voor zoveel ophef zorgt? Op die vraag wisten Amsterdamse bestuurders decennia lang geen antwoord. Vooral vanuit de  Indische gemeenschap en de linksactivistische hoek werd in toenemende mate druk uitgeoefend op het stadsdeelbestuur van Amsterdam Oud-Zuid om een oplossing te bedenken. Om te komen tot een weloverwogen besluit, won het stadsdeel uiteindelijk in 1999 het advies in van Instituut Clingendael, dat discussierondes organiseert met historici, belangengroeperingen en buurtbewoners. In 2001 kwam Clingendael met het voorstel om de naam en  functie van het monument te wijzigen: het monument moet geen ereteken meer zijn voor Van Heutsz maar wordt onder de nieuwe naam Monument Indië Nederland een ‘herinneringsteken voor de relatie tussen Nederland en Indië tijdens de koloniale periode’. De deelraad volgt het advies op en wijzigt de naam in 2004. Na jaren van overleg en werkzaamheden was de ‘feestelijke onthulling’ van het hernieuwde monument gepland voor dit voorjaar, maar onder andere werkzaamheden aan het waternet dwongen tot een half jaar uitstel.
Rob Aspeslagh (1940) leidde namens Clingendael de diverse inspraakrondes. Mede naar aanleiding daarvan schreef hij het uiteindelijke advies aan de deelraad om de naam en functie van het monument te veranderen. ‘Het was fascinerend. Bij die sessies waren mensen bijeen die elkaar nooit eerder hadden ontmoet, bijvoorbeeld actievoerders en historici,’ vertelt de sinds 2002 gepensioneerde Aspeslagh in zijn atelier in de Amsterdamse Pijp, waar hij tegenwoordig werkt als kunstschilder. Hij werd geboren in Nederlands Indië als zoon van een  Nederlandse bestuursambtenaar. Samen met zijn ouders overleefde hij het Jappenkamp. ‘Ik hoop dat het monument straks mensen met uiteenlopende achtergrond de gelegenheid biedt om in hun herinnering terug te gaan naar de koloniale tijd. Het monument moet bij bezoekers vragen over die tijd oproepen, maar ook de vraag: “Wie was die Van Heutsz?” Het antwoord daarop kunnen mensen halen uit de toelichting die op het monument wordt bevestigd.’
Coen Tasman nam als buurtbewoner deel aan de gespreksessies en deelt de tevredenheid van Aspeslagh over het verloop en de uitkomst van de procedure. Tasman was actief in de Provo- en Kabouterbeweging en voerde jarenlang actie tegen het Van Heutsz monument. ‘Ik denk dat iedereen zich kan vinden in de toelichtingstekst, ook Indonesische slachtoffers,’ zegt Tasman, die daarbij wijst op de tekst die spreekt over ‘een tragische bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis in Atjeh’. ‘Bovendien wordt in de tekst verwezen naar de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië in 1945.’ Tasman wijst tenslotte op de verzoenende slotzin van de tekst: ‘Het monument Indië Nederland verbeeldt de vele herinneringen aan ons koloniaal verleden in Indonesië en wijst, met respect voor het Indisch erfgoed, naar de toekomst.’ Tasman: ‘Natuurlijk kan ik me iets voorstellen bij een zin die expliciet naar de slachtoffers van het koloniale bewind verwijst, maar dat is nu nog gewoon niet haalbaar.’ Dat zou namelijk stuiten op onoverkomelijke tegenstand uit kringen van de tienduizenden nog levende Indiëveteranen, vermoedt Tasman.
Aspeslagh vindt het begrijpelijk dat er op geen van de vele Indiëmonumenten die Nederland telt, expliciet wordt verwezen naar bijvoorbeeld de Indonesische slachtoffers van de politionele acties. Hij acht een Nederlands initiatief voor een monument waar expliciet naar Indonesische slachtoffers wordt verwezen ‘onwenselijk’. ‘Als Indonesiërs zo’n monument willen, moeten zij daartoe zelf het initiatief nemen. Wij moeten zo’n monument niet voor hen willen maken. Bovendien gaan wij in Nederland veel te slecht om met monumenten.’ Daarom is volgens Aspeslagh ook het voormalige Van Heutsz monument ongeschikt om expliciet te verwijzen naar Indonesische slachtoffers. ‘Leerlingen van het Amsterdams Lyceum hangen er vaak rond en er ligt zwerfvuil. In algemene zin zullen wij in Nederland een monument voor vermoorde Indonesiërs nooit het nodige respect geven. En dat zou een heel negatieve indruk maken op Indonesië. Alleen al daarom is een dergelijk monument hier onwenselijk. Bovendien vraag ik me af of Indonesiërs er wel behoefte aan hebben dat wij een monument voor ze maken.’  

Gemiste kans
‘Het lijkt me onzin dat je voor de realisatie van een dergelijk monument moet wachten op een verzoek vanuit Indonesië,’ zegt antropoloog Freek Colombijn. Hij deed de afgelopen jaren onderzoek naar het dekolonisatieproces in Indonesië voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. ‘Voor een monument waarop Indonesische slachtoffers expliciet worden genoemd, moet gewoon van Nederlandse zijde het initiatief worden genomen. Anders komt het er nooit en dat lijkt me een slechte zaak,’ zegt Colombijn. Hij noemt het ‘een gemiste kans’ dat bij de restauratie van het voormalige Van Heutsz monument in de toelichtende tekst niet expliciet naar de Indonesische slachtoffers wordt verwezen. ‘Met de toelichting zoals die er nu ligt, blijf je hangen in algemene formuleringen. Daarmee ontken je feitelijk een schaduwzijde van het kolonialisme.’
Volgens Jeffrey Pondaag (1953, Jakarta)  bestaat vanuit de Indonesische gemeenschap zeker behoefte aan een monument waarop wordt verwezen naar Indonesische slachtoffers van het Nederlands koloniaal bewind. ‘Het verhaal van meneer Asepeslagh klinkt eerlijk gezegd een beetje als een smoesje,’ zegt Pondaag, die zelf ook een inspraakavond over het voormalig Van Heutsz monument bijwoonde. Hij is voorzitter van de Nederlandse afdeling van het in Indonesië opgerichte Comité Nederlandse Ereschulden, dat namens Indonesische particulieren genoegdoening vraagt voor de politionele acties. ‘Het is hoog tijd dat eindelijk ook eens onze slachtoffers in beeld komen in Nederland. Niemand heeft het over mijn vermoorde oom,’ zegt een geëmotioneerde Pondaag. In mei 2005 bood zijn comité een petitie aan bij de Nederlandse ambassadeur in Indonesië. Daarin werd de Nederlandse regering verzocht ‘de onafhankelijkheid van de Republiek van Indonesië op 17 augustus 1945 te erkennen’ en om excuus aan te bieden aan het Indonesische volk ‘voor de kolonisatie, slavernij, de serieuze schending van mensenrechten en misdrijven’. Een paar maanden later kwam toenmalig minister Bot van Buitenlandse Zaken in een historische toespraak in Den Haag tijdens de herdenking van de capitulatie van Japan tot de ‘politieke en morele aanvaarding’ van 17 augustus 1945 als de onafhankelijkheidsdag van Indonesië. Met de grootschalige inzet van militaire middelen die daarop volgde kwam Nederland ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan’. Dat is ‘wrang’ voor de Nederlandse militairen, ‘maar in de eerste plaats voor de Indonesische bevolking zelf’, sprak Bot. Naar deze woorden verwijst de minister in juni 2006 in zijn schriftelijke antwoord op de petitie van het Comité Nederlandse Ereschulden. Daarmee is volgens Bot ‘een hoofdstuk in de geschiedenis” afgesloten. Een discussie over compensatie is niet aan de orde en ook op het verzoek om een expliciet excuus reageert hij negatief. De relatie tussen Nederland en Indonesië moet nu ‘toekomstgericht” zijn, zo sluit hij zijn brief af. Een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigt dat het geen zin heeft voor het Comité Nederlandse Ereschulden om te komen met verdere verzoeken.  
Toch geeft Pondaag zijn strijd voor een excuus en schadevergoeding niet op en  hij blijft ook hopen op een passend monument. ‘Als je iemand aanrijdt, kom je toch ook niet weg met een half excuus? Dan moet je vervolgens ook handelen. Dat geldt zeker voor een premier die zo de mond vol heeft over waarden en normen.’

Aparte gedenksteen
Aspeslagh ziet niet zoveel in expliciete excuses van Nederland aan Indonesiërs. ‘Veel belangrijker vind ik het volmondig erkennen van zaken die in het verleden fout zijn gegaan. Dat heeft Bot heel goed gedaan in zijn toespraak.’ Over de huidige discussie in de media over de houding van de Japanse regering over de troostmeisjes zegt Aspeslagh: ‘Ik vind het een groot probleem dat Japan weigert op een behoorlijke wijze te erkennen dat Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog zogenaamde troostmeisjes tot prostitutie hebben gedwongen.’ Een goede schadevergoedingsregeling aan deze vrouwen door de Japanners hoort daar wat Aspeslagh betreft bij. ‘Ik ben niet zo enthousiast over dat soort regelingen, maar het geeft mensen wel een gevoel dat hun leed wordt erkend.’ In een financiële genoegdoening door Nederland aan Indonesische slachtoffers ziet hij echter weinig.‘Ik vraag me af of daar van Indonesische zijde echt behoefte aan bestaat. Ik kan niet voor anderen praten. Wel weet ik dat de vrouwen die door de Japanners tot prostitutie zijn gedwongen, dat willen. Maar of een oude meneer in Indonesië zit te wachten op een financiële genoegdoening uit Nederland weet ik niet.’
‘Dat is toch echt meten met twee maten’ vindt Reza Muharam (1963, West-Java). Hij nam als Indonesisch mensenrechtenactivist ook deel aan de gespreksessies onder leiding van Aspeslagh. ‘Je kan niet aan de ene kant genoegdoening eisen van Japan voor misdaden en tegelijkertijd feitelijk je eigen wandaden negeren.’ Muharam had graag gezien dat bij het voormalige Van Heutsz monument een aparte gedenksteen was geplaatst voor de slachtoffers van het koloniale bewind. ‘Mijn idee was: een gezamenlijk initiatief van Nederlanders en Indonesiërs. Met die suggestie is niets gedaan. Nu is het oude koloniale monument gewoon vervangen door een nieuw koloniaal monument.’
Dit najaar is de ‘feestelijke onthulling’ van het gerestaureerde monument, zo meldt de website van stadsdeel Oud-Zuid. Naast een officieel deel met toespraken komt er een  ‘opleveringsfeest’ met eten, drinken en naar verwachting ook een Indonesische avondmarkt, vertelt Joke Witteveen, woordvoerder van het stadsdeelbestuur. ‘Over de precieze invulling willen we heel zorgvuldig nadenken. Het is de bedoeling dat van de verschillende zijden mensen worden uitgenodigd, naast buurtbewoners bijvoorbeeld ook Knil-militairen en zeker ook Indonesiërs.’ Muharam: ‘Ik weet eerlijk gezegd niet of ik wel bij dat feest wil zijn. Ook al ben ik blij dat het monument niet langer een eerbetoon is aan een schurk als Van Heutsz, ik vind het echt slecht dat in het monument nog steeds geen expliciete aandacht is voor alle slachtoffers, zowel van Nederlandse als van Indonesische zijde. Pas als dat gebeurt, is echte verzoening met het verleden mogelijk.’ 

Verschenen op 26 april 2007 in PM, vaktijdschrift over politiek en bestuur

Reacties»

1. Terdad Galstaun - april 30, 2007

Ik zie het zo:
*Ik heb een ongeluk veroorzaakt en er zijn slachtoffers gevallen,moet ik dan eerst weten of de familie leden behoefte hebben aan een verontschuldiging en vergoeding???? NEEN!
Ik zal mij moeten melden en persoonlijk mijn verontschuldiging aanbieden en zonodig de schade vergoeden!! Er kan geen verzoening zijn als er geen erkenning is voor al de fouten en misstanden tijdens de koloniale tijd en tussen 1945 en 1950!!

2. Terdad Galstaun - augustus 27, 2007

” Je kan niet aan de ene kant genoegdoening eisen van Japan voor misdaden en tegelijkertijd je eigen wandaden negeren.”
JA,dit is iets waar men in Nederland toch wel
iets aan moet doen!
“Maar of een oude meneer in Indonesie zit te wachten op een financiele genoegdoening uit Nederaland, weet ik niet.”
JA,dit is ook al zo iets,”Het zijn toch maar domme “INLANDERS” wat begrijpen die nu van een genoegdoening of erkenning,dus waarom dat gekrakeel over dit soort zakan,niet meer over denken en de andere kant uitkijken!!
NEDERLAND WIL HET NIET WETEN!

3. Terdad Galstaun - augustus 27, 2007

“Het lijkt me onzin dat je voor de realisatie van
een dergelijk monument moet wachten op een verzoek van uit Indonesie,–”
“Indie verloren – rampspoed geboren”,was het zoiets???
Nederland DENKT dat Indonesia zich moet verontschuldigen! Schaam U Nederland!

4. Terdad Galstaun - augustus 27, 2007

“Van Heutsz en Westerling zijn HELDEN….!!??”

SOEKARNO is een staats vijand……..?????