Een stem voor het leed in de rechtzaal mei 22, 2008
Posted by Maurice Swirc in Juridisch.trackback
In 2005 kregen slachtoffers en nabestaanden van ernstige geweldsdelicten het recht om in de rechtszaal te vertellen over de gevolgen van het misdrijf.
Een reconstructie van de totstandkoming van die wet.
‘Ik weet niet waar ik de kracht vandaan haalde, maar ik keek hem recht in de ogen toen ik zei dat Nadine nooit moeder van haar kinderen zal zijn en ik nooit de opa daarvan’, vertelt Jacques Beemsterboer, terugkijkend op de zitting van de strafzaak tegen de moordenaar van zijn twintigjarige dochter Nadine. Zij werd in december 2006 met 33 messteken vermoord door haar ex-vriend om het verbreken van de relatie. Net als de moeder en zus van Nadine vertelde Jacques Beemsterboer in een muisstille rechtszaal over de gevolgen van de moord op zijn leven. ‘Natuurlijk wordt de pijn om het verlies van Nadine niet minder doordat ik toen het woord mocht voeren, maar het zorgt er wel voor dat ik met een goed gevoel terugkijk op die rechtszaak. Ik moet er niet aan denken dat ik daar zwijgend bij had moeten zitten.’
Tot voor kort waren slachtoffers en nabestaanden afhankelijk van de toestemming van de rechter om hun verhaal te mogen vertellen tijdens de rechtzitting. In de praktijk kwam dat erop neer dat ze maar zelden aan het woord kwamen. Sinds 1 januari 2005 staat in het Wetboek van Strafvordering dat slachtoffers van ernstige geweldsdelicten en verkeersongevallen het recht hebben om in de rechtszaal het woord te voeren. Dat recht kwam er na een moeizaam wetgevingstraject, en ondanks grote weerstand vanuit vooral de rechterlijke macht. Een chronologisch overzicht van het gevecht voor de stem van het slachtoffer.
Stap 1. De lobby van Slachtofferhulp
‘Uit gesprekken met slachtoffers en met nabestaanden zelf werd ons duidelijk dat er grote behoefte was aan het spreekrecht’, vertelt Jaap Smit, directeur van Slachtofferhulp Nederland, dat slachtoffers van misdrijven en verkeersongelukken praktisch en emotioneel ondersteunt. Een enquête van Slachtofferhulp onder de eigen cliënten wees uit dat maar liefst 59 procent behoefte had aan spreekrecht. Smit: ‘Het feit dat slachtoffers in de rechtszaal geen stem hadden, werd als een groot onrecht ervaren.’ Tijdens het periodieke overleg met de directie sanctie, preventie en jeugdzorg van het ministerie van Justitie, bepleitte Slachtofferhulp de invoering van het spreekrecht. Maar toenmalig VVD-minister Korthals van Justitie voelde er niets voor. ‘Natuurlijk was dat een teleurstelling. Die afwijzing had veel te maken met de bezwaren vanuit de rechterlijke macht, waar veel vrees bestond voor emotionele taferelen in de rechtszaal en overbelasting van het justitieel apparaat.’ Intussen werd tijdens de reguliere contacten van Slachtofferhulp met D66-Tweede-Kamerlid Boris Dittrich duidelijk dat hij zich sterk wilde maken voor invoering van het spreekrecht.
Stap 2. Het initiatiefwetsvoorstel van Boris Dittrich
Dittrich was zelf jarenlang rechter voordat hij Kamerlid was en zag ook vanuit die ervaring de noodzaak van het spreekrecht. ‘Ik heb zo vaak meegemaakt dat in vreselijke zaken over verkrachting of moord, slachtoffers of nabestaanden vooraan in de zaal zaten. Uit hun smekende ogen sprak dat ze iets wilden zeggen, maar dat mocht niet’, vertelt Dittrich, nu werkzaam voor Human Right Watch in New York. Onder minister Sorgdrager van Justitie diende Dittrich een motie in, waarin stond dat slachtoffers spreekrecht moesten krijgen. Die motie werd aangenomen, maar nooit uitgevoerd door de regering, vertelt Dittrich. De opvolger van Sorgdrager, Benk Korthals van de VVD, gaf aan dat hij niet van plan was met een wetsvoorstel te komen . ‘De regering gaf dus een simpel nee. Dan heb je de keus: je erbij neerleggen of zelf aan de slag gaan. Ik heb toen gekozen voor het laatste’, vertelt Dittrich. Hij bracht de zomer van 2000 door achter zijn computer en schreef zelf een initiatiefwetsvoorstel. Een Kamerlid heeft daarbij recht op ambtelijke ondersteuning vanuit het betreffende ministerie, in dit geval van Justitie. ‘Ik wilde alleen met een ambtenaar brainstormen over de technische aspecten, zoals over de plek in de wet waar het artikel het beste past. Je krijgt dan een ambtenaar toegewezen. Die vrouw heeft mij een of twee keer ontvangen. Al brainstormend hebben we toen besloten waar het artikel in de wet moest komen. Zij maakte verder een ontwerptekst, die ik weer wat aanpaste. Maar de memorie van toelichting, de politiek juridische argumenten, die schreef ik natuurlijk helemaal zelf.’ De ruwe basistekst van het wetsvoorstel bracht Dittrich ‘in consultatie’ bij betrokken organisaties zoals Slachtofferhulp, de Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (de beroepsvereniging voor rechters en officieren van justitie), die zich in meerdere of mindere mate in het voorstel konden vinden. ‘Natuurlijk was dat allemaal veel werk, maar het zwaarste kwam pas daarna: de behandeling in de Tweede en de Eerste Kamer. Voordat je daar aan toekomt, moet je echter nog reageren op het advies van de Raad van State.’
Stap 3. Het advies van de Raad van State
De staatsraden spreken in hun advies van mei 2001 de vrees uit dat ‘het spreekrecht en de reactie daarop in sommige gevallen een onverantwoorde wissel zullen trekken op de beheersbaarheid en de voortgang van de strafzitting’, en wijzen daarbij op ‘het gevoelen’ daarover bij de rechterlijke macht. Dittrich maakt in zijn schriftelijke reactie gehakt van dit kritiekpunt: ‘Bij schadeclaims van slachtoffers lopen de emoties in de rechtzaal ook vaak op, maar dat is toch ook geen reden ze om het recht op een schadeclaim te ontzeggen?’ Dittrich past de wettekst en de memorie van toelichting vooral aan waar het gaat om juridisch-technische opmerkingen. ‘Zeker bij een initiatiefwetsvoorstel is het heel belangrijk dat je komt met een goede inhoudelijke reactie op het advies van de Raad van State. Anders weet je zeker dat het spaak loopt bij de behandeling in de Tweede en vooral de Eerste Kamer. Iedereen die er maar even anders over denkt, of je het niet gunt, kan dan je wetsvoorstel afschieten met verwijzing naar het advies van de Raad van State.’
Stap 4. Behandeling in de Tweede Kamer
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer plaatst de PvdA ‘behoorlijke juridische en niet-juridische kanttekeningen’ bij het spreekrecht. Loopt het slachtoffer niet kans op flinke emotionele schade door zijn ervaringen in de rechtszaal, vragen de sociaaldemocraten zich bijvoorbeeld af. Om de kans op meer draagvlak in de Kamer te vergroten, kiest Dittrich ervoor zijn voorstel in de Tweede Kamer samen met LPF-kamerlid Fred Schonewille in te dienen, die verder nauwelijks een rol speelt. Sybrand Haersma Buma van het CDA maakt zich vooral veel zorgen over de ‘fundamentele wijziging van het strafproces’. Verder is ook minister van Justitie, Donner, flink kritisch. Die mag zich volgens de mores van het parlement niet expliciet uitspreken tegen het wetsvoorstel, maar Donner doet dat feitelijk wel door een doemscenario te schetsen. Als deze wet er komt, zullen jaarlijks twaalf- tot dertienduizend slachtoffers hun zegje doen en dat gaat veel geld en veel kostbare tijd van de toch al overbelaste rechters kosten, zo stelt de minister. Haersma Buma: ‘Dittrich bracht zijn verhaal heel bevlogen, herinner ik me. Dat heeft mij en ook anderen uiteindelijk over de streep getrokken om toch voor te stemmen.’ Het wetsvoorstel wordt op 19 december 2002 met algemene stemmen aangenomen.
Stap 5. Behandeling in de Eerste Kamer
Vlak voordat het wetsvoorstel in de Eerste Kamer wordt behandeld, ploft bij de senatoren een brandbrief op de deurmat. De brief is afkomstig van de Raad voor de Rechtspraak, de koepelorganisatie van de Nederlandse rechtbanken. In de brief wordt onder andere melding gemaakt van de strijdigheid van het spreekrecht met ons rechtssysteem. Dittrich heeft tijdens de behandeling op 27 april 2004 Geert-Jan Knoops, hoogleraar internationaal strafrecht, meegenomen als extra wapen tegen het verwachte spervuur aan vragen. Dittrich: ‘Eerste-Kamerleden zitten daar dan een beetje onderuit gezakt bij. Zo van: vertel het maar. Het was echt een soort examen waarbij heel gedetailleerde vragen werden gesteld, zoals: hoe is het dan in Zwitserland geregeld? Ze willen je laten merken dat het heus geen gelopen race is. Niet voor niets sneuvelen er zoveel initiatiefwetsvoorstellen in de Eerste Kamer.’
CDA-senator Rob van de Beeten blijkt tijdens deze aprilavond de felste criticus van het wetsvoorstel. Hij schetst een doemscenario waarbij de rechtspositie van de verdachte in de knel komt. Ook de PvdA toont zich uiterst kritisch. Dittrich wijst in zijn slotverhaal vooral op de waarborgen in het systeem, waaronder het toezicht van de rechter tijdens de zitting. Het laatste woord krijgt minister Donner, die in omfloerste bewoordingen nog maar eens opsomt wat er – naast overbelasting van rechters – allemaal pleit tegen het wetsvoorstel.
Op 11 mei 2004 stemmen de senatoren van het CDA, Groen-Links, de ChristenUnie en de SGP tegen het wetsvoorstel, maar is er dankzij de uiteindelijke voorstem van de PvdA-fractie een meerderheid voor.
Stap 6. Inwerktreding
Na ondertekening door de Koningin en de minister van Justitie (het zogeheten contraseign) wordt de wet in de vorm van het aangepaste artikel 260 en de ingevoegde artikelen 288a, 302, 303, 336 en 337 van het Wetboek van Strafvordering op 3 augustus 2004 gepubliceerd in het Staatsblad. De wetsartikelen treden per 1 januari 2005 in werking.
Stap 7. Het spreekrecht in de praktijk
In 2006 maakten tweehonderd mensen gebruik van het spreekrecht, terwijl drieduizend slachtoffers en nabestaanden een schriftelijke verklaring aflegden, zo meldt Slachtofferhulp. ‘Dat zijn misschien geen grote aantallen, maar alleen al het principiële feit dat het recht bestaat, heeft de positie van alle slachtoffers versterkt’, constateert directeur Smit van Slachtofferhulp. In reactie op de cijfers zegt Dittrich dat hij grotere aantallen had verwacht. ‘Hoe dan ook, al die doemscenario’s zijn nogal overdreven gebleken. Aan de hand van de verhalen die ik hoor van rechters, advocaten en ook van slachtoffers en nabestaanden zelf, is mijn indruk dat het spreekrecht goed functioneert.’ De ervaringen van de rechterlijke macht zijn ‘door de bank genomen’ inderdaad positief, zegt woordvoerder Michiel Boer van de Raad voor de Rechtspraak. ‘De vrees die we hadden voor een overbelast gerechtelijk apparaat is niet bewaarheid’, erkent Boer. ‘In de tijd dat het wetsvoorstel werd behandeld, stonden we zwaar onder druk door enorme stijgingspercentages van het aantal rechtszaken’, zegt Boer enigszins verontschuldigend. Martin Roos, voorzitter van ‘Aandacht doet spreken’, een belangenorganisatie van nabestaanden van slachtoffers van ernstige geweldsdelicten, plaatst kanttekeningen bij de lovende woorden over het spreekrecht. ‘De begeleiding door Slachtofferhulp schiet ernstig tekort. Dat komt doordat daar gebruik wordt gemaakt van vrijwilligers, die gewoon niet in staat blijken om de benodigde begeleiding te bieden, bijvoorbeeld bij het opstellen van de verklaring. Daar krijgen we veel klachten over’, aldus Roos. Slachtofferhulp laat bij monde van directeur Smit weten bekend te zijn met deze klachten en verwijst naar grootschalige experimenten die inmiddels plaatsvinden, waarbij betaalde professionals bij moordzaken de meeste begeleiding doen. ‘Als er genoeg geld voor komt, kan dit systeem landelijk bij zware misdrijven worden uitgerold’, aldus Smit. Naar verwachting komt het ministerie van Justitie in de loop van 2008 met een officiële evaluatie van de wet.
Verschenen in de Intermediair Oriëntatiegids Juristen op 1 november 2007.
Reacties»
No comments yet — be the first.